In deze editie van "Petanque onder de Loep" bekijken we een tweede reeks regels die gelden voor petanque als competitief beoefende sport in Vlaanderen en daarbuiten. We bespreken artikel 5 en 6 van het Officieel reglement voor de petanquesport en kijken onder meer naar wat een terrein en een werpcirkel reglementair maakt.
(bron: Officieel reglement voor de petanquesport, van toepassing op alle grondgebieden van de nationale federaties, leden van F.I.P.J.P.)
(artikel 5) Petanque kan op elke ondergrond worden gespeeld, maar wedstrijden vinden doorgaans plaats op een afgebakend terrein:
Een onbepaald aantal afgebakende terreinen vormen samen een speelveld. Een afsluiting rond dat speelveld is toegestaan, maar moet op minstens 1 meter worden geplaatst van de verlieslijnen. Als speelterreinen zonder fysieke scheiding achter elkaar geplaatst zijn, gelden de achterlijnen van het kader als verlieslijnen.
Elk terrein in een speelveld moet afgebakend zijn met dunne koorden die het spelverloop niet beïnvloeden. De koorden tussen de verschillende terreinen, of afbakeningslijnen, gelden doorgaans niet als verlieslijnen, d.w.z. dat ballen of doelkogeltjes niet ongeldig zijn als ze deze koorden overschrijden.
Een uitzondering is van toepassing wanneer de wedstrijd met een tijdslimiet gespeeld wordt. In dat geval zijn alle lijnen die het terrein afbakenen verlieslijnen, dus ook de koorden tussen terreinen.
Anders is het gesteld met de lijnen aan de kopse zijden en de buitenste kaderlijnen: eens deze lijnen overschreden, zijn ballen en doelkogeltjes ongeldig.
Een petanquebal geldt als ongeldig (out) zodra deze volledig de buitenkant van de koord (uitlijn) van het terrein heeft overschreden, van bovenaf gezien. Een bal die de koord nog raakt of er gedeeltelijk over ligt, is geldig. Zodra een ongeldige bal stilligt, moet deze direct uit het spel worden genomen.
De partijen worden doorgaans naar 13 punten gespeeld, maar het is toegelaten om partijen van de poules en de cadrage wedstrijden naar 11 punten te laten spelen.
(artikel 6) De positie van waaruit je het doelkogeltje of petanqueballen werpt, moet steeds gemarkeerd zijn met een werpcirkel. Die cirkel kan op het speelveld getekend worden of een opneembaar object zijn, in de vorm van een vaste of plooibare cirkel (goedgekeurd door de F.I.P.J.P.).
Doorgaans stelt de wedstrijdleiding - d.w.z. de organiserende club - reglementaire (materiële) cirkels ter beschikking van de spelers. Die zijn dan verplicht te gebruiken, al behoudt de tegenstander het recht om ook zijn eigen reglementaire cirkels als alternatief voor te stellen. In dat geval gaat de keuze naar de reglementaire cirkels van de ploeg die de toss gewonnen heeft.
(artikel 6bis) De werpcirkel moet getrokken (of geplaatst) worden op meer dan 1 m van elke hindernis en op ten minste 1,5 m van een andere gebruikte werpcirkel of van het doelkogeltje van een andere partij.
De werpcirkel wordt niet als verboden terrein beschouwd. Dat wil zeggen dat een gespeelde bal of doelkogeltje, eens verplaatst, in de werpcirkel mag terechtkomen, zonder als ongeldig te worden beschouwd. Spelers mogen tijdens het spel ook over de cirkel heen lopen of erin staan wanneer het niet hun beurt is om te werpen, zolang ze de werper niet hinderen.
Bovendien mag de binnenkant van de cirkel gedurende de gehele méne volledig worden gereinigd. Aan het einde van de méne moet die wel terug in de oorspronkelijke staat gebracht worden.
De spelers tossen om te bepalen welke ploeg het doelkogeltje als eerste werpt, op een terrein dat doorgaans door de wedstrijdleiding wordt toegewezen.
Op dit terrein plaatst of tekent een speler van de beginnende ploeg een reglementaire cirkel, ver genoeg van obstakels (>1 m) en van cirkels en doelkogeltjes in naburige banen (>1,5 m) (cf. supra). De speler heeft vervolgens één kans om het doelkogeltje reglementair op te gooien:
Eens reglementair geworpen, moet het doelkogeltje steeds gemarkeerd worden, in het begin en telkens als het verplaatst wordt tijdens de mène. Zonder markering van het doelkogeltje is elke klacht onontvankelijk voor de scheidsrechter.
Wie vervolgens de mène wint, krijgt meteen ook het recht om het doelkogeltje te werpen voor een volgende mène. De cirkel wordt in de regel getrokken of geplaatst op de plek waar het doelkogeltje lag aan het einde van de vorige mène.